De papen van Brugge

De papen van Brugge: De seculiere clerus in een middeleeuwse wereldstad

Hendrik Callewier
Copyright Date: 2014
Published by: Leuven University Press,
Pages: 412
https://www.jstor.org/stable/j.ctt13x0mwq
  • Cite this Item
  • Book Info
    De papen van Brugge
    Book Description:

    Het karikaturale beeld van de losbandige middeleeuwse geestelijken herbekeken. Het 15de-eeuwse Brugge was een middeleeuwse grootstad. In deze metropool floreerden luxenijverheden, internationale handel en maakte het Bourgondische hof grote sier. Brugge telde in deze periode enkele honderden geestelijken: kanunniken en pastoors, maar ook kapelanen en talrijke zangers. Onder hen vinden we enkele van de meest vooraanstaande componisten, zangers, ambtenaren en professoren van de lage landen terug, o.a. Gilles Binchois, Gilles Joye, Guillaume Dufay en Antoine Haneron. De Brugse kanunnik Joris Vander Paelen werd door Jan Van Eyck als een devoot man afgebeeld, maar sommige kronieken schetsen een ander beeld van de laatmiddeleeuwse clerus: “Zijn het dan allemaal hebzuchtige en eerzuchtige dieven, hoogmoedige en wellustige hoerenlopers en maagdenonteerders?” In De papen van Brugge wordt de levenswandel van niet minder dan 1298 seculiere geestelijken onderzocht. Het karikaturale beeld van de hypocriete, geile, ijdele of vraatzuchtige pastoor wordt door Hendrik Callewier aan de hand van rijke archiefbronnen herbekeken en bijgesteld.

    eISBN: 978-94-6166-155-5
    Subjects: Religion

Table of Contents

  1. Front Matter
    (pp. 1-6)
  2. Table of Contents
    (pp. 7-8)
  3. Lijst van gebruikte afkortingen
    (pp. 9-10)
  4. Inleiding
    (pp. 11-46)

    Het begripgeestelijkheidbeperkt zich niet tot de westers-katholieke sfeer. Een geestelijke stand kan in nagenoeg alle culturen en religies onderscheiden worden. Godsdienstsociologen hebben zich gebogen over de diverse figuren metreligieuze autoriteit. Het sociologische begrippriesterwordt doorgaans gedefinieerd als een bemiddelaar tussen God en de mens. Zijn autoriteit is gebaseerd op het charisma van zijn ambt. De opleiding is cruciaal voor het priesterschap: ze moet de priester voorbereiden op zijn belangrijkste taak: de bediening van de cultus. Als bewaker van de traditie, fungeert hij ook als raadgever en filosoof. Zijn autoriteit biedt hem uitgebreide privileges².

    Historici hebben de...

  5. Deel I: Wahrheit und dichtung.: BeeLdvorming van de cLerus en de roep om hervorming
    • I. Dommer dan ezels? De opleiding van de geestelijken
      (pp. 49-70)

      Een van de meest geuite kritieken op de laatmiddeleeuwse clerus was het gebrek aan scholing². Diverse laatmiddeleeuwse polemisten en humanisten, konden zich bijzonder druk maken over de gebrekkige kennis bij clerici. Volgens Erasmus zou de Utrechtse bisschop David van Bourgondië, van 1439 tot 1451 nog proost van het Brugse Sint-Donaaskapittel, ooit op 300 wijdingskandidaten er slechts drie hebben toegelaten tot de priesterwijding. Op de vraag of dit de Kerk niet zou schaden, antwoordde hij dat het de Kerk nog meer zou schaden als hij in plaats van mensen ezels en zij die nog stommer waren dan ezels zou toelaten³. Niet...

    • II. ‘Priesterlijck staet boven al’: de kerkelijke wijdingen
      (pp. 71-92)

      In canonieke teksten wordt veel aandacht besteed aan de kerkelijke wijdingen en de voorwaarden waaraan iemand moest voldoen om geestelijke te worden. Deze vaak strenge regels werden in de praktijk zelden nagevolgd. In de pre-Tridentijnse periode vertoonde de Kerk een zekere laksheid in de naleving van de wetgeving in dit verband. Het veelvuldig toestaan van dispensaties, zowel door de paus als door de bisschop, werkte deze situatie in de hand¹.

      Voorafgaand aan de kerkelijke wijdingen moest een toekomstige geestelijke de tonsuur of kruinschering ontvangen. Door deze kruinschering werd hij officieel opgenomen in de geestelijke stand en aangeduid als ‘clericus’ (tonsuratus)....

    • III. Het faux problème van het absenteïsme
      (pp. 93-116)

      In het klassieke beeld van de laatmiddeleeuwse clerus komt niet-residentie als een van de grote problemen naar voren. In elke studie die de crisis van de laat middeleeuwse kerk behandelt, wordt het massale absenteïsme als een van de voornaamste oorzaken aangehaald, meestal zonder exacte cijfers op te geven¹. De kritiek past in het beeld van de verdorven, rijke en luie laatmiddeleeuwse geestelijke². In de praktijk stelde het absenteïsme echter weinig problemen³.

      Voor de diverse beneficies en officies bestonden allerlei bepalingen inzake residentie. De officies konden enkel bediend worden door clerici die daadwerkelijk resideerden. Het ging om functies van praktische aard,...

    • IV. En leidt ons niet in bekoring: de problematische levenswandel van de Brugse clerus
      (pp. 117-180)

      Tijdens de middeleeuwen bestond er een duidelijk onderscheid tussen de kerkelijke staat enerzijds en de taakuitoefening door clerici in een kerkelijke context anderzijds. Enkel wie een beneficie of een officie bezat, was belast met kerkelijke taken. Voor het merendeel van de geestelijken bestonden de kerntaken uit het vieren van herdenkingsmissen en het bijwonen van de koordienst. De kapelanen werden slechts in geringe mate in de zielzorg ingeschakeld¹. Het is opvallend hoe weinig in de bronnen terug te vinden is over het belang van de eigenlijke pastoraal voor de doorsnee seculiere geestelijke². Voor een groot stuk was de zielzorg de zaak...

  6. Deel II: Van zanger tot kanunnik.: Sociale stratificatie en netwerken
    • I. Een brede rekruteringsbasis
      (pp. 183-198)

      De geografische herkomst en de sociale afkomst van de clerici is bepalend voor een aantal andere aspecten. Zo mag verondersteld worden dat een geestelijke die afkomstig was van buiten Brugge minder op een ‘netwerk’ in de stad kon rekenen of dat op zijn minst moest opbouwen. Het ontbreken van zo’n netwerk kan dan weer zijn gevolgen hebben voor de levenswandel van de geestelijke. In een nieuwe, vreemde omgeving kunnen mensen zich anders gedragen dan in hun vertrouwde habitat. Specifiek voor clerici belast met zielzorg houdt de geografische rekrutering ook verband met de loyauteit van de parochianen ten aanzien van hun...

    • II. De uitbouw van een kerkelijke loopbaan
      (pp. 199-232)

      Om een beneficie te verwerven, diende een geestelijke in de gratie van een patroon te komen staan. Daarvoor maakte hij handig gebruik van zijn netwerk. In diverse studies is het belang van patronage en netwerken aangetoond², niet het minst wat kerkelijke beneficies betreft. Ondersteuning door anderen was onontbeerlijk om een succesvolle carrière op te bouwen. De vraag rijst echter of een clericus zich in het opbouwen van netwerken en het investeren van zogenaamd ‘sociaal kapitaal’ onderscheidt van een leek. Is er überhaupt sprake van een ‘klerikaal sociaal netwerk’ in het laatmiddeleeuwse Brugge? Zijn in dit milieu dezelfde actoren te herkennen,...

    • III. Het dagelijks brood: de mythe van het geestelijke proletariaat
      (pp. 233-264)

      In tegenstelling tot regulieren legden seculiere geestelijken geen gelofte van armoede af. Toch werden ze verondersteld zich afzijdig te houden van luxe en geen wereldse rijkdom na te jagen. Die basisregel werd door de middeleeuwse clerus erg vrij en op uiteenlopende wijzen geïnterpreteerd¹. Opvallend weinig auteurs, met uitzondering van Engelse historici, hebben de sociaal-economische situatie van de clerus behandeld, wellicht omdat ze zo moeilijk in te schatten is². Volgens recente studies zou vijftien tot twintig procent van de laatmiddeleeuwse priesters in relatieve welstand geleefd hebben. Ongeveer de helft kon zoals de lagere middenklasse een comfortabele levensstandaard handhaven, zonder zich echter...

  7. Deel III: Alleen in dienst van God?: Interactie met stad en hof
    • I. De positionering van de clerus in de stedelijke gemeenschap
      (pp. 267-284)

      De aantrekkingskracht die de geestelijke stand tijdens de late middeleeuwen uitoefende, was gedeeltelijk te danken aan een aantal privileges die ze van oudsher genoot. De voorrechten die geestelijken bezaten, kwamen in de late middeleeuwen echter onder toenemende druk te staan¹. Bovendien zouden de opkomende staten hun greep op de Kerk versterken. Vooral in de periode na het Westers Schisma werden overal in Europa de verhoudingen tussen Kerk en staat geherdefinieerd². In de Nederlanden werd de Bourgondische periode gekenmerkt door een verzwakking van de macht van de geestelijkheid ten opzichte van die van de leken. Zowel de rechterlijke als de fiscale...

    • II. De lokroep van de muze
      (pp. 285-322)

      Het muziekleven in het laatmiddeleeuwse Brugge werd lange tijd relatief verwaarloosd door musicologen en historici¹. Hoewel het belang van de zogenaamde ‘Bourgondische school’ of de ‘Vlaamse polyfonie’ algemeen aanvaard is, was het tot voor enkele decennia niet duidelijk welke stedelijke centra hiertoe hebben bijgedragen. De scholen van de kathedralen van Luik en Kamerijk werden als dominant beschouwd, vooral op basis van de bewaarde muziekhandschriften en de grote figuren, zoals Dufay, die aan deze kerken verbonden waren. Voor Brugge ontbreekt uitvoerig musicologisch bronnenmateriaal, aangezien de polyfone koorboeken van de Brugse kerken, die nochtans erg talrijk waren, vermoedelijk bijna allemaal vernietigd werden...

    • III. Clericus of klerk?
      (pp. 323-350)

      Het woord ‘clericus’ wees in de middeleeuwen aanvankelijk op geletterdheid. Waar leken doorgaansilliteratiwaren, hadden geestelijken de kans gekregen om Latijn te leren en vaak ook om universitaire studies aan te vatten. Omdat ze bijna een monopolie op geletterdheid bezaten, werden geestelijken ook gevraagd om andere activiteiten op zich te nemen die weinig verband hielden met hun kerntaken, de zielzorg en de koordienst. Pas in de vijftiende eeuw waren er voldoende universitair geschoolde leken die de concurrentie met clerici konden aangaan voor het vervullen van administratieve functies¹.

      In de literatuur wordt het belang van clerici in de administratie algemeen...

  8. Epiloog
    (pp. 351-354)

    Op het einde van de 15 de eeuw zorgde het Schisma van het bisdom Doornik in Brugge voor grote schandalen. De Brugse kroniekschrijver Romboudt de Doppere is bijzonder scherp voor de hoofdrolspelers in dit conflict, zijn collega’s geestelijken.Het zijn allemaal mannen met een corrupte geest, die uiterlijk vroomheid veinzen, zo schrijft hij. De immer kritische kapelaan vraagt zich vertwijfeld af:Zijn het dan allemaal hoogmoedige en hebzuchtige dieven en wellustelingen? Maken ze zich allemaal schuldig aan simonie en overspel?¹ Met dergelijke boutades lijkt de auteur aan te sluiten bij latere polemisten als Erasmus. Zijn ergernis en frustratie over de...

  9. Bibliografie
    (pp. 355-394)
  10. Index
    (pp. 395-412)