Doodgewone woorden

Doodgewone woorden: NS-taal en de Shoah

Fabian Van Samang
Copyright Date: 2010
Published by: Leuven University Press,
Pages: 406
https://www.jstor.org/stable/j.ctt9qdwqr
  • Cite this Item
  • Book Info
    Doodgewone woorden
    Book Description:

    De uitroeiing van de Europese joden is het symbool geworden van de moderne, gebureaucratiseerde massamoord. Als geen ander historisch thema heeft de judeocide ons gedwongen om na te denken over de vraag welke factoren aan de grondslag liggen van dit soort georganiseerde brutaliteit - een vraag die nog steeds op een bevredigend antwoord wacht. Doodgewone woorden benadert de Shoah vanuit een verrassende, nieuwe invalshoek. In een vlot leesbare stijl beschrijft Fabian Van Samang de typische kenmerken van de nazitaal en beargumenteert hij hoe dit specifieke NS-discours mee aan de basis lag van de ontwikkeling van de Shoah. Hij brengt inzichten uit de psychologie, geschiedenis, filosofie en taalkunde op subtiele wijze samen. Sleuteldocumenten worden in een nieuw licht geplaatst, bestaande interpretaties worden getoetst en het besluitvormingsproces wordt opnieuw bekeken. Doodgewone woorden is een gewaagd en uitdagend boek dat de lezer er ongetwijfeld zal toe aanzetten zichzelf, zijn omgeving en zijn taal kritisch te bevragen.

    eISBN: 978-94-6166-002-2
    Subjects: History

Table of Contents

  1. Front Matter
    (pp. 1-6)
  2. Table of Contents
    (pp. 7-8)
  3. Lijst met afkortingen
    (pp. 9-10)
  4. Dankwoord
    (pp. 11-12)
  5. Inleiding. Doodgewone woorden – het thema
    (pp. 13-20)

    In de vroege ochtend van 29 juli 1969 werd de 57-jarige Josef Blösche in een gevangeniswagen naar de Arndtstrasse 48 in Leipzig gebracht. Beambten stelden zijn identiteit vast en registreerden hem zoals de procedure dat voorschreef. Een kwarteeuw was Blösche uit de handen van justitie gebleven. In die tijd had hij zijn geld verdiend als eenvoudig mijnwerker en had hij samen met zijn echtgenote, Hanna, een kleine taverne uitgebaat in het provinciestadje Urbach, in Thüringen. Politiek en oorlog interesseerden hem niet langer. Blösche ging als een gehavend man door het leven, niet enkel fysiek (een mislukte moordpoging had zijn maag...

  6. Deel I. Hitlers anti-joodse discours.: Semantische entropie in de praktijk

    • Inleiding. Over het onsamenhangende en systematische anti-joodse vertoog
      (pp. 23-26)

      De precieze rol die het antisemitisme in Hitlers wereldbeeld heeft gespeeld, wordt door historici al vele jaren fel bediscussieerd. Waar kwam de jodenhaat van ’ s werelds meest notoire antisemiet vandaan? Wanneer was het onstaan, naar aanleiding van welke concrete gebeurtenissen, onder invloed van welke historische personages? In welke mate was het een oprechte persoonlijke overtuiging en in hoeverre maakten anti-joodse uitlatingen deel uit van de propaganda?

      In 1969 bouwde de Duitse historicus Eberhard Jäckel als eerste een omvattend model op over Hitlers denken, zich daarbij in hoofdzaak baserend opMein Kampfen de talrijke toespraken die Hitler van 1919...

    • Hoofdstuk 1 Het pragmatisch-discursieve niveau. Over de ontwikkeling en desintegratie van een gestructureerd anti-joods discours
      (pp. 27-94)

      Op 12 september 1919 hield Hitler een korte, waarschijnlijk half geïmproviseerde toespraak in de Münchense Sternecker-Bräu, een ontmoetingsruimte van deDeutsche Arbeiterpartei(DAP), die negen maanden ervoor als één van de tientallen kleinevölkischepartijen was opgericht.⁶ Voor Hitler was het zijn vuurdoop – 41 toeschouwers, waaronder drie partijfunctionarissen, woonden ze bij.⁷Enkele dagen later werd hij lid van de partij en als redenaar en partijpropagandist ingelijfd. Op 16 oktober 1919, om zeven uur ’s avonds, hield hij zijn eerste, goed voorbereide en door het publiek erg gesmaakte toespraak. “Wat ik vroeger altijd zuiver intuïtief had verondersteld, bleek nu waar te...

    • Hoofdstuk 2 Het lexicaal-semantische niveau. De dominantie van de tegenstrijdige randbetekenissen
      (pp. 95-128)

      De relatie tussen een beschreven realiteit, de begrippen waarmee die werkelijkheid wordt uitgedrukt en de wijze waarop ze door de zender en de ontvanger worden begrepen, lijkt eenvoudig, maar isde factobijzonder complex. Betekenissen van woorden veranderen immers naargelang de tijd waarin ze gebruikt worden, de cultuur (in de breedste zin van het woord) waarin ze functioneren, de verhouding tussen spreker en toehoorder, en de specifieke context waarin ze opduiken. Vandaar dat het debat over de wijze waarop ‘betekenis’ tot stand komt nog steeds wordt uitgevochten in taalscholen, die weliswaar inhoudelijke raakvlakken hebben, maar mekaar op even zovele domeinen...

    • Hoofdstuk 3 Het intertekstuele niveau
      (pp. 129-168)

      De term intertekstualiteit stamt uit de literatuurkritiek en werd in 1969 voor het eerst gebruikt in een essay van de Frans-Bulgaarse taalkundige Julia Kristeva.¹ Ze ontleende haar concept aan de notie ‘dialoog’, die door de Russische formalist Mikhail Bakhtin was geïntroduceerd, maar paste het aan de ideologische eisen van de groepTel Quelaan, waarvan ze samen met onder meer Roland Barthes, Jacques Derrida en haar echtgenoot Philippe Sollers deel uitmaakte.²

      Het links georiënteerdeTel Quelprobeerde enkele vastgeroeste, halfdoctrinaire concepten uit de literatuur – zoals subject, betekenis en waarheid – van zich af te schudden, en dat is precies wat Kristeva...

  7. Deel II. Semantische entropie en cognitieve dissonantie – een model

    • Hoofdstuk 1 Wanneer de leugen waarheid wordt
      (pp. 171-178)

      InLying: moral choice in public and private lifeschetste de Zweeds-Amerikaanse filosofe en psychologe Sissela Bok een beknopte geschiedenis van de leugen, beginnend bij de eerste Latijnse kerkvaders en eindigend bij de 20ste-eeuwse wijsgeren.¹ Augustinus benadrukte de intentionaliteit toen hij de leugen omschreef als de uitspraak die werd gedaan in de wetenschap dat ze vals was, en beklemtoonde het immorele karakter van uitspraken die Gods inspiratie niet correct reflecteerden. Immanuel Kant stond afwijzend tegenover de leugen omdat ze nooit tot universeel grondprincipe voor menselijk handelen zou kunnen worden veralgemeend. Utilitaristen als Jeremy Bentham hielden een eeuw later de strikte...

    • Hoofdstuk 2 Ideologie als raamwerk voor de organische leugen
      (pp. 179-188)

      De organische leugen maakt een bijsturing van het concept ‘ideologie’ noodzakelijk. Sinds het eerste gebruik van de term, in de late achttiende eeuw, werd hij met een veelheid aan negatieve connotaties beladen: de ideologie was de sfeer van het onware, van het bedrog, de onrealistische hersenspinsels, en vooral ook van de abstracte keurslijven en de maatschappelijke dwang.¹ Napoleon gebruikte het begrip om er de ‘naïeve’ sensationalisten mee aan te duiden, die meenden dat het ideale politieke bestel niet op macht en vorstelijke willekeur berustte, maar op wat de waarneming aan de rede dicteerde; voor Marx en Engels waren ideologieën instrumenten...

    • Hoofdstuk 3 Ideologie, organische leugen en nationaalsocialisme
      (pp. 189-198)

      Het lijkt onbetwistbaar dat de NS-ideologie het denken en handelen van zijn leden vrij strikt reglementeerde. De eenpartijstaat, die er met deGleichschaltungnaar streefde administratie, cultuur, onderwijs en politiek op de doctrine af te stemmen, liet alvast weinig ruimte voor afwijkend gedrag. De intensivering van de vervolgingscampagnes, de uitbreiding van de ‘wettige terreur’ door bijkomende legislatieve maatregelen, de toename van het aantal bestraffende staatsinstellingen en de zwaardere sanctionering van verzet (in gedachte en daad), zoals uitvoerig onderzoek deze evolutie de afgelopen jaren uitvoerig heeft beschreven, bevestigen die veronderstelling.

      In een lijvige monografie over het NS-gevangeniswezen stelde Nikolaus Wachsmann vast...

    • Hoofdstuk 4 Cognitieve dissonantie: de theorie
      (pp. 199-206)

      Weinig sociaal-wetenschappelijke theorieën vertrekken van zo’n eenvoudige basisstelling en hebben tezelfdertijd zo’n complexe concrete uitwerking en zo’n omvattend verklarend potentieel als de cognitieve dissonantietheorie (CDT). Lepper en Schulz, die er een artikel aan wijdden in deMIT encyclopedia of the cognitive sciences, omschreven haar als “veruit de meest vooraanstaande van verscheidene sociaalpsychologische theorieën die gebaseerd zijn op de premisse dat mensen consistentie nastreven in hun opvattingen, houdingen en handelingen”.

      Robert Wicklund prees de theorie voor haar “blijvende impact op het sociaalpsychologisch denken” en vestigde de aandacht op de concrete toepassingen ervan in de marketing, de politiek, de godsdienst en de...

    • Hoofdstuk 5 Cognitieve dissonantie, nationaalsocialisme en Shoah
      (pp. 207-210)

      Festingers theorie maakt het mogelijk enkele fenomenen uit het nationaal-socialisme beter te plaatsen. Ten eerste verklaart hetfree-choice-model de aanzienlijke mate van trouw en loyaliteit voor het Hitlerregime, nadat de keuze eenmaal was gemaakt om het daadwerkelijk te steunen. Hoewel Festingers onderzoek enkel de keuze tussen gelijkwaardige alternatieven in kaart bracht, lijkt het aanvaardbaar te veronderstellen dat een grotere dissonantie optrad indien men zich bewust was van de morele component van zijn keuze. Aangezien er noch een zwaar initiatieritueel, noch een eenduidige beloning aan toetreding tot de nationaalsocialistische beweging was verbonden, konden de betrokkenen hun keuze niet verantwoorden door zware...

    • Hoofdstuk 6 Codetaal en semantische entropie
      (pp. 211-216)

      De weinige taalkundigen die zich hebben gespecialiseerd in de mechanismen van het nationaalsocialistische taalgebruik, hebben dit discours doorgaans beschreven in termen van manipulatie en verhullingen, van codetaal, van duidelijk overeengekomen taalvermommingen.

      In de ogen van Cornelia Schmitz-Berning was “deEndlösung der Judenfrageeen schuilnaam [Deckname] voor Hitlers plannen om de joden in Europa uit te roeien” een “verhullend woord [Verschleierungswort]” dat sinds de Wannseeconferentie voor alle ministeriële beambten, SS-ers en politieleden duidelijk moet zijn geweest.¹

      Siegfried Bork stelde dat “taal in het nationaalsocialisme geen objectief communicatiemiddel [was], maar een afgedwongen eufemisme. De talige verhulling was één van haar belangrijkste taken.”²...

  8. Deel III. Het NS-discours en de ontwikkeling van de Shoah

    • Hoofdstuk 1 De analyse van een discours – generaliseringen en begrenzingen
      (pp. 219-232)

      Niet enkel Hitlers betekenis voor de Holocaust, maar ook de rol die hij in het hele NS-apparaat speelde, wordt door historici al geruime tijd bediscussieerd.¹ Daar waar de eerste Hitlerbiografen meenden dat de hele nationaalsocialistische besluitvorming enkel op initiatief van de dictator tot stand kon komen, gaan steeds meer geschiedvorsers er vandaag van uit dat eerder een doorgedreven decentralisatie, een vrij grote bewegingsvrijheid aan de basis, mogelijks bewust gemanipuleerde onderlinge rivaliteit en een minimale input van Hitler ten grondslag lagen aan de werking van de NSstaat.

      Het exacte gewicht van deFührer, vergeleken met dat van andere instellingen en individuen,...

    • Hoofdstuk 2 Codetaal of semantische entropie – een overzicht van de onderzoeksresultaten
      (pp. 233-242)

      Historici houden vol dat het gehanteerde NS-idioom een taalscherm was waarachter nationaalsocialistische denkers en uitvoerders hun concrete plannen was hielden. Dit zou betekenen dat vooreerst in de hogere naziechelons een beleidslijn werd uitgetekend, die vervolgens naar de lagere niveaus werd doorgegeven. Die interne communicatie moet in duidelijk verstaanbare taal hebben plaatsgevonden, terwijl ze in het publieke vertoog door eufemismen werd verbloemd. Taal is in die optiek niet performatief – ze is geen ‘actor’ die het denken en handelen van de spreker(s) stuurt en op die manier nieuwe realiteiten vormgeeft. In deze studie wordt de stelling verdedigd dat semantische entropie zowel het...

    • Hoofdstuk 3 “De tong beheerst het leven en de dood” – de Shoah geherinterpreteerd
      (pp. 243-340)

      Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was semantische entropie niet enkel binnengedrongen in Hitlers discours, maar typeerde ze ook het anti-joodse vertoog van de voornaamste NS-instellingen. In 1932 verscheenWesensgefüge des Nationalsozialismus, een 80 pagina’s tellend pamflet geschreven door nazitheoreticus Alfred Rosenberg. Daarin schetste de auteur hoe Duitsland op een scharniermoment in zijn geschiedenis was aanbeland, een moment waarop het moest beslissen of het zich al dan niet zou laten verknechten door een economische geest zonder scrupules. “Für gewöhnlich ballen sich in Schicksalsepochen beide Kräfte zusammen,” beweerde Rosenberg, “und der Kampf wird dann nicht durch Kompromisse umgangen, sondern bis...

  9. Besluit
    (pp. 341-354)

    In 1980 voltooide de Zuid-Afrikaanse schrijver en toekomstige Nobelprijswinnaar voor de literatuur John Maxwell Coetzee één van zijn bekendste en waarschijnlijk ook meest beklijvende romans,Waiting for the barbarians. Daarin schetste hij hoe een kleine, vreedzame gemeenschap razendsnel en zonder noemenswaardig verzet werd overgenomen door een nietsontziend, oorlogszuchtig totalitair regime. De kracht van de roman schuilt vooral in de beschrijving van de psychologische en groepsgebonden mechanismen die een dergelijke evolutie mogelijk maken: de bureaucratische besluitvorming, de door apocalyptische vijandsbeelden veroorzaakte massahysterie, de ontmenselijking van het slachtoffer, het meedogenloze van de ongecontroleerde macht en de fragiele van de rechtvaardigheid. In tegenstelling...

  10. Bibliografie
    (pp. 355-402)
  11. Personenregister
    (pp. 403-406)