Met (het) oog op morgen

Met (het) oog op morgen: Opstellen over taal, taalverandering en standaardtaal

Joop van der Horst
Copyright Date: 2010
Published by: Leuven University Press,
Pages: 217
https://www.jstor.org/stable/j.ctt9qdwvp
  • Cite this Item
  • Book Info
    Met (het) oog op morgen
    Book Description:

    Joop van der Horst is een begrip. En dat al heel lang. Zijn stukken zijn altijd verrassend, eigenzinnig, to the point en met veel humor. Ze zijn bovendien zo verbluffend eenvoudig geschreven en zo aansprekend dat je vergeet dat het om belangrijke en netelige onderwerpen gaat. Taal is iets van iedereen. Maar de meningen over taal staan vaak tegenover elkaar. Vooral als het gaat om taalverandering, om normen en waarden, om de standaardtaal, om onderwijs en literatuur. Al die onderwerpen komen aan de orde in deze bundeling van eerder verschenen artikelen. Sommige, zoals ‘De Croma-verandering’ of ‘Het nieuwe krijgen’ zijn klassiekers. Andere, zoals ‘De ezels in de film’ of ‘Mortier’ zijn pareltjes die verschenen in een obscuur studentenblaadje of in een krant van acht jaar geleden en zijn daardoor nagenoeg onvindbaar geworden. In 'Met (het) oog op morgen' komen ze allemaal weer boven water. In deze stukken is niets van schoolmeesterij. Wie wil weten ‘hoe het moet’, kan beter iets anders lezen. Joop van der Horst schrijft voor zelfdenkende lezers: die worden aan het denken gezet, uitgenodigd tot verwondering of geprikkeld tot tegenspraak. Maar nooit laten deze stukken de lezer onberoerd.

    eISBN: 978-94-6166-007-7
    Subjects: Language & Literature

Table of Contents

  1. Front Matter
    (pp. 1-4)
  2. Table of Contents
    (pp. 5-6)
  3. Huydecoper en wij
    (pp. 7-18)

    Balthazar Huydecoper leefde van 1695 tot 1778.¹ Ruim honderd jaar na zijn dood kreeg hij de bijnaam ‘taaldespoot uit de pruikentijd’. Dat was een beetje onrechtvaardig. Met evenveel recht zou men hem namelijk een der grondleggers van de Nederlandse standaardtaal kunnen noemen, de ‘vorst der taalverbeteraars’. Het hangt er maar van af, hoe je tegen die standaardtaal aankijkt. Dat was honderd jaar geleden zo, en het is nog steeds zo.

    De artikelen die in deze bundel verzameld zijn, bewegen zich allemaal in dat krachtenveld van taal, standaardtaal, taalverandering en taalnormering. Een mijnenveld, met dikwijls nogal geprononceerde en strijdbare standpunten, waartussen...

  4. Tal van informatie
    (pp. 19-24)

    Het zal zo’n dertig jaar geleden zijn dat ik ermee begonnen ben foute en rare zinnen te noteren. Eerst in een schriftje, later op steekkaarten, en nog later in de computer. Het is een tweede natuur geworden. Bij het lezen van de krant, van een tijdschrift of boek, en bij het volgen van radio of televisie, streep ik iets aan, ik schrijf even iets op, en berg dat dagelijks in mijn computer. Gemiddeld een à twee zinnen per dag, dus ’t blijft doenbaar.

    Niet iedere foute zin komt in aanmerking. Anders had ik er dagwerk aan. In feite ben ik...

  5. Moslim Bazarghan
    (pp. 25-32)

    Ik weet niet wie dominee De Frolle was. Ik weet zelfs niet of er ooit een dominee De Frolle heeft bestaan. Misschien wel niet. Ik zal dat eens nagaan, maar ’t is hier van geen belang. De naam is me in ieder geval al heel lang bekend, en wel uit de fameuze grammatica van M.C. van den Toorn, paragraaf 7.2.1, over de ‘zelfstandignaam-woordsgroep’. Daar wordtDominee De Frolleals voorbeeld gegeven van een zeker type woordgroep. Een naam om nooit te vergeten. Heb je die eenmaal gelezen, dan blijft hij je bij. En meteen ook wat Van den Toorn erover...

  6. Vaststaan
    (pp. 33-35)

    In de romanHertog van Egyptevan Margriet de Moor (1996, 40) staat de volgende zin:

    Vaststaat dat Gerard het raar vond.

    Is dat goed gespeld? Moet het inderdaadVaststaat dat... zijn, of beter los gespeld,Vast staat dat...? Of is dat niet te zeggen? Er zijn namelijk ook gevallen waarin de spellingregels of de taalkennis ons in de steek laten. Vandaar dat we naast ‘goed’ en ‘fout’ rekening moeten houden met een derde mogelijkheid, ‘valt niet te zeggen’.

    Of het belangrijk is, is een ander verhaal. Ik vind het niet belangrijk. Maar ik zie het wel als een sport...

  7. Echter
    (pp. 36-39)

    Onder de taaladviseurs behoort Jan Renkema tot de gematigden of liberalen. Er valt veel te verbeteren, maar er wordt weinig pertinent afgekeurd. In zijn befaamdeSchrijfwijzerwordt dan ook niet vaak een zin ‘fout’ genoemd. Meestal is er sprake van ‘moeilijk leesbare zinnen’ of ‘vreemde zinnen’, en daar moet dan liefst wat aan gedaan worden. Een enkele keer wordt er echter wel iets echt fout genoemd. Dat gebeurt bijvoorbeeld op bladzijde 101, waar het gaat om de woordvolgorde in zinnen als:

    Echter komt het zelden voor.

    Echter, het komt zelden voor.

    De eerste zin, aldus Renkema, is fout. De tweede...

  8. De oorsprong van het laf gerammel
    (pp. 40-44)

    Sommige mensen denken dat zin

    (1) De pen waarmee ik schrijf

    beter is dan:

    (2) De pen waar ik mee schrijf.

    Evenzo vindt men vaak

    (3) Daarmee kan ik niet schrijven

    beter dan:

    (4) Daar kan ik niet mee schrijven.

    De regel zou zijn dat niet-splitsing beter is dan splitsing. Alzo’n tweehonderd jaar schijnt die regel te bestaan, tot groot nadeel van ons taalgebruik, want hij deugt niet. In de betere taalgidsen vind je hem dan ook meestal niet vermeld. Maar mondeling, in het onderwijs en in kringen van journalisten en ambtenaren, heeft hij een hardnekkig bestaan. Waar komt zo’n...

  9. Het nieuwe krijgen
    (pp. 45-51)

    Soms krijg je niet bedacht wat er allemaal fout kan gaan. Deze eerste zin is niet van mij; hij stond in een brief die ik onlangs kreeg. Geen persoonlijke brief, maar een algemeen schrijven, gericht aan velen. Ik denk dat de opsteller van die brief hooguit dertig is.

    Een zin om lang over na te denken. Vooral wegens datkrijgen. De betekenis van het wo ord is door de eeuwen heen verschillende keren veranderd. Ik herinner mij dat mijn grootvader wel eens zei:Krijg jij die doos eens uit de kast. Dat bevreemdde me, toen ik zes of tien was....

  10. De Croma-verandering
    (pp. 52-57)

    Taalveranderingen in het verleden zijn gemakkelijker aan te wijzen dan in onze eigen tijd. Je weet niet of iets doorzet, en er is zo verwarrend veel te zien dat de grote lijnen je vaak ontgaan. Daardoor is het riskant om met een eigentijdse taalverandering aan te komen, zeker als die verder nog door niemand gesignaleerd is, voor zover mij bekend. Men kan zich licht vergissen. Ik waag het erop.

    Nieuw in het Nederlands is dat zinnen mogelijk zijn als:

    Mocht daar niemand te bereiken zijn, wordt de plaatselijke politie ingeschakeld.

    Hier isdanblijkbaar niet meer verplicht. Op het eerste...

  11. De zorgdraag-verandering
    (pp. 58-64)

    Meer dan vijftien jaar geleden schreef Jan Wolkers inNRC/Handelsbladde volgende zin:

    het bleke oprechte wezentje dat achter de schermen met bovenmenselijke toewijding ervoor zorg draagt dat alles toch weer in het gerede raakt (NRC/Handelsblad17 april 1992).

    Het stuk ging over Olivier B. Bommel, en in het bleke wezentje herkennen we zonder moeite zijn trouwe vriend Tom Poes. De zin was me opgevallen, en ik heb die genoteerd. Wie wat bewaart, die heeft wat.

    Een opvallende zin, die zin van Wolkers. Ik zou dat zelf nooit zo zeggen. Ik zou zeggen:

    het bleke oprechte wezentje dat (...) er...

  12. Sterke werkwoorden
    (pp. 65-70)

    Een lezer schrijft mij het volgende: ‘Uw artikel “De zorgdraag-verandering” leidde bij mij tot een vraag.Zuigenis een sterk werkwoord,stofzuigenniet. Komt die verandering door de samenstelling? Zo ja, ontwikkelt onze taal zich dan naar iets alshij heeft afscheidgeneemd?Ik wil de boel niet bespottelijk maken, al klinkt het in mijn oren als bespottelijk, ik ben echt geïnteresseerd in het antwoord. Of deugt mijn gedachtegang niet?’

    Het kortste eerlijke antwoord is: dat zou best kunnen, maar zeker is het niet. In ieder geval is er met die gedachte niets mis. Maar zo kort wil ik mij er...

  13. Met (het) oog op morgen
    (pp. 71-75)

    InDavid Copperfieldvan Charles Dickens komt een kostschoolhouder voor die werkt aan een Grieks woordenboek. Het is de eigenaar van de school waar de jonge David eindelijk, door toedoen van zijn tante Betsey Trotwood, een rustige tijd beleeft. Een aardige maar wat wereldvreemde man, die kostschoolhouder. Al zijn vrije tijd steekt hij in dat woordenboek. Altijd heeft hij in zijn broekzakken briefjes en strookjes papier, met weer een Grieks woord dat erin moet. Hij komt verschillende keren ter sprake, ook lang nadat David van school is. We horen steeds dat hij goed vooruitgaat met zijn woordenboek. Maar voor de...

  14. Verliefd
    (pp. 76-83)

    Lodewijk van Deyssels eerste grote roman isEen liefde(1887). Hij is dan drieëntwintig jaar oud, en net getrouwd met Catharina Horyaans. Het is een indrukwekkende roman, al kan men zich met reden afvragen of Catharina dat ook vond. Hoe dat ook zij, ze zal waarschijnlijk geen taalkundige bezwaren gehad hebben tegen de volgende zin op bladzijde negenentwintig van het eerste deel:

    Zij waren allen op hem verliefd.

    Ik wel. Ik vind dat namelijk geen goede zin. Ik zou geschreven hebben:

    Zij waren allen verliefd op hem.

    En ik sta daar niet alleen in. De meeste mensen geven tegenwoordig de...

  15. Hoe is dat kunnen gebeuren
    (pp. 84-91)

    Onder veel Nederlandse taalkundigen geldt Vlaanderen als een linguïstisch openluchtmuseum. Onder Vlaamse taalkundigen trouwens ook. Je kunt er namelijk taalverschijnselen aantreffen die in Nederland al honderd of vijfhonderd jaar uitgestorven zijn. En daar zijn ze nog dagelijks te zien en te horen, ‘in het wild’. Dat is voor wie er oog voor heeft, en een klein beetje op de hoogte is van onze taalgeschiedenis, fascinerend. Alsof er ergens op de wereld een streek zou zijn waar nog dinosauriërs rondhuppelen, of waar je een mammoet kan tegenkomen. Of, minder ver in het verleden, alsof er een land zou zijn met ridders...

  16. Geldhoeveelheid
    (pp. 92-100)

    Sommige mensen kunnen met een gerust hart het woordgeldhoeveelheidgebruiken. Ik niet, maar dat zegt misschien meer over mij dan over die anderen of over dat woordgeldhoeveelheid. In ieder geval, het viel me op, toen ik las:

    De groei van de geldhoeveelheid (...) gaat veel te hard (NRC/Handelsblad 10 juli 2006).

    Van Dale heeft er geen moeite mee.Geldhoeveelheidwordt er omschreven als: ‘totale som aan chartaal en direct opvorderbaar giraal geld bij het publiek’. Ook al zou ik het nooit zelf gebruiken, het woordgeldhoeveelheidbegrijp ik wel; maarchartaalmoest ik opzoeken. Chartaal geld is wettig...

  17. Het lastig maken
    (pp. 101-106)

    Een poosje geleden las ik de volgende zin:

    Als het moet, gaan we mensen het lastig maken (NRC/Handelsblad25 januari 2007).

    Nu de geest van Charivarius weer los is, en menigeen moord en brand roept over de slechte taalbeheersing van scholieren en studenten, kunnen we niet voorzichtig genoeg zijn. Is deze zin wel goed Nederlands?

    Zelf zou ik schrijven: ...gaan we het mensen lastig maken, en daarom viel de krantenzin me op. Maar is mijn volgorde beter? Ik heb schoolgegaan in de gelukzalige tijd dat daar nog lesgegeven werd, maar zegt dat alles? Hoe was de schoolopleiding van de...

  18. Het toedoen van het zwijgen
    (pp. 107-112)

    Theo Kars heeft een heel mooie vertaling gemaakt van StendhalsLa Chartreuse de Parme (De Kartuize van Parma, 2003). Het boek als geheel heeft me niet erg kunnen bekoren, maar Stendhal schrijft wel veel schitterende zinnen, en Kars vertaalt die erg goed. Ik bedoel: ook in de vertaling staan veel mooie zinnen. Of hij het Frans correct weergeeft, weet ik niet; ik heb de Franse tekst er niet naast gelegd. Ik wil gerust aannemen van wel, maar het doet er nu even niet toe. Ik wil maar zeggen: als ik struikel over een enkele zin, dan is dat in dit...

  19. Over gezag
    (pp. 113-117)

    Er zijn vandaag de dag meer wetenschappers dan ooit. Gevraagd en ongevraagd strooien zij hun adviezen uit over de samenleving, meestal ‘wetenschappelijke’ adviezen genaamd. Over de inrichting van de Waddenzee, over het roken van sigaretten, over het opvoeden van linkshandige kinderen, het koken in een magnetron, zonnebaden met factor zes of het gebruik van windmolens voor schone energie. Waar zouden we zijn zonder wetenschappelijke adviezen?

    Zowel de adviseurs als de raadvragers verliezen geregeld uit het oog dat de adviserende wetenschapper ophoudt wetenschapper te zijn zodra hij adviseert. De wetenschap leert ons in het gunstigste geval hoe iets is en waarom...

  20. Andere mensen, andere taal
    (pp. 118-124)

    Tijdens een van de eerste colleges die ik als aankomend student volgde, bijna veertig jaar geleden, legde de docent, de betreurde B.C. Damsteegt, ons uit wat ABN is, Algemeen Beschaafd Nederlands.

    Wat hij daar precies over zei, weet ik eigenlijk niet meer. Wel weet ik, dat hij er in hooguit drie minuten mee klaar was. Een duidelijke zaak. En het klonk ongeveer zoals alle daar aanwezigen spraken; wat er trouwens niet veel waren. Het was in 1968.

    Precies tien jaar later, 1978, gaf ik zelf voor het eerst college. In Amsterdam, aan de UvA. Tien jaren waarin veel veranderd was....

  21. Waarom een prijs?
    (pp. 125-130)

    Over taal schrijven voor een groot publiek is niets nieuws. Het gebeurt al eeuwen lang. Nieuw is dat er tegenwoordig wel eens een prijs voor uitgereikt wordt. Populariseren lijkt belangrijker gevonden te worden dan vroeger. Ook in andere landen zien we een toegenomen waardering. Hoe zou dat komen?

    Een intrigerende vraag. Een vraag die serieuze behandeling verdient, met de middelen van de wetenschap, maar het zal dan zijn in een wetenschap die nog niet bestaat, ofschoon ze het wel verdient om te bestaan, namelijk de historische taalbeheersing. Tot zolang, dat is totdat er een echte historische taalbeheersing komt, moeten we...

  22. Een academie voor de Nederlandse taal: geen goed idee
    (pp. 131-137)

    Een paar maanden geleden schreef Benno Barnard een artikel inNRC/HandelsbladenKnackover de Nederlandse Taalunie. Die zou weinig of niets doen voor ‘onze in nood verkerende moedertaal’. Hij pleitte voor de oprichting van een Nederlandse taalacademie, naar het model van de Académie française. Heel wat lezers leken daar wel oren naar te hebben. Ik vind zo’n academie geen goed idee.

    De Académie française werd opgericht in 1635, in de tijd van Lodewijk XIII, en door toedoen van Richelieu. Het idee was niet helemaal nieuw, maar afgekeken van de Italianen, die al in 1583 hunAccademia della Cruscagevormd...

  23. Ierse meningen
    (pp. 138-140)

    Waar valt het beste Italiaans te beluisteren? Mij dunkt dat dat in Italië is, en niet in Portugal of Ierland.

    Dit is geen toeval. En het is ook niet zo dat de Italianen bij een vergelijkend onderzoek de hoogste cijfers haalden. ’t Is heel anders. De enige, maar doorslaggevende reden om te zeggen dat de Italianen het beste Italiaans spreken, is deze: er bestaat nu eenmaal geen andere norm om het Italiaans te beoordelen dan de taal zoals die door Italianen gesproken wordt. Om te weten hoe een Italiaans woord uitgesproken moet worden, dient men naar een Italiaan te luisteren....

  24. Over de preventie van het kwaad
    (pp. 141-142)

    In de krant lees ik zojuist een artikel over Afghanistan. Het is daar niet prettig, lijkt me. Er heersen de vreselijkste wantoestanden. Zo mogen vrouwen en meisjes er geen onderwijs meer volgen, meisjesscholen zijn gesloten, en wie privé wat lessen geeft, loopt gevaar van zware straffen. Het is een schande die naar mijn mening niet te vergoelijken valt met ‘cultuurverschil’.

    Gelukkig valt er ook iets moois over Afghanistan te melden. In hetzelfde artikel lees ik namelijk, dat men daar een speciale minister heeft voor Bevordering van de Deugdzaamheid en Preventie van het Kwaad. Kijk, dat vind ik wel van enige...

  25. Taaladviezen
    (pp. 143-145)

    Sommige zaken zijn duidelijk. We twijfelen geen ogenblik waar het lidwoord moet staan in onze zinnen. En dat het meervoud vanfietsheel zekerfietsenis, dat hoef ik niemand te vragen. Ook tob ik niet over de vraag of het moet zijnGisteren hebben we een auto gekochtofWe hebben gisteren een auto gekocht.

    Maar menigeen is minder zeker wanneer jehenen wanneer jehungebruiken moet. En of je schrijven moetwat hij gedaan heeftdanwelwat hij heeft gedaan. Is hetde zaak waarover hij sprakof ...waar hij over sprak? Berucht isgroter...

  26. Automatische verdelers
    (pp. 146-147)

    Sinds enige tijd zijn er in het station van Leuven kaartjesautomaten. Ze zijn, geloof ik, nog niet in werking, zodat de reizigers nog even kunnen wennen aan de aanblik, en zich voorbereiden op de verdere vermindering van service door de nmbs. Dat hoeft overigens beslist niet negatief te zijn, want een beetje automaat is al gauw vriendelijker dan veel loketpersoneel.

    Op elk van die automaten staat met duidelijke letters: ‘automatische verdeler van vervoersbewijzen’, wat niet de naam is die een grote meerderheid van onze taalgenoten gebruikt, maar wel aanleunt bij de Franse benaming:distributeur automatique.

    Vroeger zeiden Vlamingen graag dat...

  27. Linkse boeken
    (pp. 148-150)

    Van Dickens’ romanMartin Chuzzlewit(1844) heb ik een reprinteditie. Het is een aardige editie, met het negentiende-eeuwse drukwerk in twee kolommen en met de bekende houterige plaatjes. Op het kaft staat een ingekleurde ets, voorstellende de Londense straat Fleet Street, met uitzicht op de St. Paul’s. Ik veronderstel dat die prent ook van het midden van de negentiende eeuw is. We zien een drukke straat, met rijtuigen en koetsen en omnibussen en vrachtwagens, alles door paarden getrokken. We zien ook enkele heren te paard, en er zijn voetgangers en straatventers. Ik mag daar graag naar kijken, naar die prent....

  28. Gezelle en de taalwetenschap
    (pp. 151-161)

    Voor ons is Gezelle eerst en vooral dichter. Hij was ook priester en leraar, maar dat is geschiedenis. Volgens sommigen was hij ook taalkundige, of althans iemand met een zeer grote belangstelling voor taal, blijkend uit een leven lang verzamelen en noteren van woorden, uitdrukkingen en zegswijzen. Veel daarvan is bewaard gebleven, deels geordend, deels ongeordend. Het is alles bij elkaar een indrukwekkende hoeveelheid beschreven papier. Hoe komt iemand ertoe om zo’n verzameling aan te leggen, jaar in jaar uit, vrijwel dagelijks aantekeningen toevoegend? Want het is wel zeker dat de verzameling veel verder ging dan materiaal voor zijn gedichten....

  29. Loveling en de mythe van het taalverval
    (pp. 162-166)

    Virginie Loveling werd in 1836 geboren in Nevele, niet heel ver van Gent. Ze is er ook gestorven, in 1923. Ze behoort tot de belangrijkste schrijvers van de negentiende eeuw. Eerst samen met haar zuster Rosalie, en nadat die in 1875 overleed alleen, schreef zij gedichten, novellen, romans, essays en ook kinderboeken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog woonde ze in Gent. Ze is dan al een dame op leeftijd. Daar heeft ze een dagboek bijgehouden, hele pakken losse blaadjes. Al bij haar leven zijn wel eens gedeelten van dat dagboek gepubliceerd. Kort geleden is eindelijk het hele dagboek uitgegeven:In oorlogsnood;...

  30. Taalkritiek
    (pp. 167-168)

    W.F. Hermans heb ik altijd bewonderd. Vanaf het eerste boek dat ik van hem las,De donkere kamer van Damokles, tot en met zijn laatste geschriften. Ik bewonder hem nog steeds, en mag hem graag herlezen. Maar het valt me nu op dat hij eigenlijk niet best schreef. Hermans was geen groot stilist. Vroeger lette ik daar blijkbaar niet op. Misschien een kwestie van leeftijd. Ik bewonder hem nog steeds, om zijn ideeën, om de compositie van zijn boeken, om zijn vlijmscherpe polemieken, maar niet om zijn taalgebruik.

    Voor het nos-radioprogrammaWat een taalhebben we een paar keer de...

  31. De ako-prijs
    (pp. 169-171)

    Volgende week wordt de ako-literatuurprijs uitgereikt. Het is op dit moment nog niet bekend wie hem krijgen zal. Uit de grote stapel van vorig jaar verschenen boeken zijn er eerst, geloof ik, 260 uitgekozen, en daaruit vervolgens zes. De zes beste, neem ik aan. Straks zal de jury uit die zes de allerbeste kiezen. Die zes heb ik ook gelezen.

    Er zitten mooie boeken bij, maar qua taal en stijl verdienen ze geen schoonheidsprijs. Ik vond ze niet meevallen.

    Er wordt heel wat geschreven. Duizenden en duizenden manuscripten worden naar uitgevers gestuurd, die met een beleefd briefje terugkomen: niet goed...

  32. Van der Heijden
    (pp. 172-174)

    Ik zal u uitleggen wat ik tegen A.F.Th van der Heijden heb, deze gevierde schrijver van dikke boeken, die als warme broodjes over de toonbank gaan. BijvoorbeeldDe tandeloze tijddeel 3, boek 1. Hij wint er zelfs literaire prijzen mee. Wat ik ertegen heb, is simpel dat hij zo beroerd schrijft. Te zwaar, te omslachtig; van alles te veel. Het is gewichtigdoenerij. Van der Heijden is z’n eigen stoorzender. Ik geef een voorbeeld van een zin op bladzij 99. Als u die goed leest, weet u genoeg.

    De hoofdpersoon, Albert, stelt zich voor hoe zijn vriend, nou ja vriend,...

  33. Generale Bankprijs
    (pp. 175-177)

    Morgen wordt de winnaar bekend gemaakt van de Generale Bankprijs. Dan zullen we op de televisie zien wat de jury het mooiste Nederlandse boek vindt van het afgelopen jaar. Vroeger heette het de AKO-literatuurprijs, maar de AKO is ermee gestopt. Ik weet niet waarom; ik vermoed omdat de winnende boeken zelden bestsellers waren in de AKO-winkeltjes. De Belgische Generale Bank, die ook in Nederland bekendheid probeert te krijgen, heeft de prijs overgenomen. Ik ben benieuwd.

    De Nederlandse literaire kritiek heeft over het algemeen weinig belangstelling voor taal en stijl. Soms lees je dat een boek ‘vlot leesbaar’ is of ‘boeiend...

  34. Mortier
    (pp. 178-179)

    Is het u wel eens opgevallen dat vaak de eerste zin van een goed boek niet deugt? Ik weet niet hoe dat komt. Je zou zeggen, zo’n eerste zin, daar wordt extra veel aandacht aan gegeven. Laat verderop hier of daar een kleine ongerechtigheid zijn blijven staan, maar zorg dat de eerste zin in orde is. Misschien komt het wel door al die extra aandacht. Misschien wordt zo’n eerste zin daar wel een beetje nerveus van. Hoe dit ook zij, ik beweer al jaren dat vaak juist eerste zinnen niet deugen; als enige, voor zover ik weet. Het is zelfs...

  35. Grote schrijvers
    (pp. 180-182)

    Grote schrijvers hebben invloed op de taal. Dat hoor je vaak. Hoe dat precies gaat, weet niemand. En of het waar is, is nog nooit bewezen. Toch is menigeen ervan overtuigd dat grote schrijvers de taal helpen vormen, zorgen voor nieuwe woorden en uitdrukkingen, een dam zijn tegen verval, en meer van die dingen. Ik weet het nog zo net niet.

    De schrijver W.F. Hermans, die stellig een grote schrijver was, liet zich er graag op voorstaan dat hij veel verstand van taal had. Als eens een criticus hem zei dat dit of dat in zijn boeken niet goed geschreven...

  36. Mijn complimenten
    (pp. 183-184)

    P.C. Hooft schrijft in zijnHistoorienbij het jaar 1572: ‘Groote versleeghenheit, zonder twyfel, baarde de val van Haarlem door ’t gansche landt’. Hij laat daarop volgen: ‘Die niettemin de dingen der weerelt met zuiveren ooghe beschouden, zaaghen lichtelyk af, dat zoo in alle plaatsen slechts van gelyke sterkte de zelfste standvastigheit voet naame, niemandt van de geboorenen jonk genoegh was, om ’t eindt der oorloghe te beleeven’.

    Als Hooft de negentiende eeuw had kunnen beschrijven, en de start van hetWoordenboek der Nederlandsche Taal, had hij met nog meer recht bijna dezelfde woorden kunnen gebruiken. Die oorlog duurde maar...

  37. Gebraden rapen
    (pp. 185-186)

    Het valt me op dat succesvolle neerlandici, zij die het op de een of andere manier gemaakt hebben, vaak zeggen dat ze aan hun studie eigenlijk weinig of niets gehad hebben. Dat geeft te denken, zou je zeggen. Natuurlijk mag men daar een ruim percentage psychologisch gemotiveerd ‘zich afzetten’ van aftrekken. Veel mensen zijn voor hun veertigste levensjaar ook maar matig te spreken over hun ouders. En het is een aantrekkelijker voorstelling van zaken dat je iets bereikt hebt zonder de inspirerende leiding van de professor en ondanks je ouders, dan dat alles je maar in de schoot geworpen is....

  38. Bijbellezen
    (pp. 187-189)

    Als het over de bijbel gaat, ben je bij gereformeerden natuurlijk aan een goed adres. Ik ben er zo een, en ik besef dat het een in België vrijwel onbekende, en in Nederland goed bekende maar met uitsterven bedreigde soort is. Of daar veel aan verloren is, weet ik niet. Soms denk ik van niet, en soms van wel. Soms denk ik: hup, de spons erover want de wereld moet vooruit en alles heeft zijn tijd. Maar op andere momenten geloof ik dat de wereld beter af zou zijn als ze wat minder vooruitging.

    De bijbel speelde in het gereformeerde...

  39. Charivarius
    (pp. 190-193)

    Op 9 oktober 1946 is Charivarius overleden. Een man van wie nog tijdens zijn leven gezegd is: ‘meer dan een persoon, het is een verschijnsel, een besmettelijke ziekte’.⁸ Bijna veertig jaar was hij medewerker van deGroene Amsterdammer, tot aan zijn dood in 1946, maar zonder veel sympathie voor de politieke idealen van het blad waarin hij beroemd en berucht geworden is. Conservatief tot in zijn tenen, wel mede-oprichter van de Haarlemse afdeling van de Filmliga in 1927. Schrijver van talloze stukken voor het amateurtoneel en van een groot aantal schoolboeken, oprichter (samen met J.B. Schuil) van de Haarlemsche Tooneel...

  40. De verleden tijd van invloed
    (pp. 194-200)

    Het is niet altijd aangenaam om over het verleden na te denken. Maar het kan heel onschuldig beginnen. Bijvoorbeeld met een wandeling door het Belgische stadje Dendermonde.

    Dendermonde is een heel klein stadje, zodat u al vrij gauw alles gezien hebt. Bijvoorbeeld het stadsmuseum, met de attributen en de foto’s van de befaamde rondgang van het Ros Beiaard met de vier Heemskinderen. Zonder twijfel zult u ook, niet ver van daar, want in Dendermonde is niets heel ver, het standbeeld zien van Prudens Van Duyse.

    Prudens Van Duyse is in Dendermonde geboren, en hij leefde van 1804 tot 1859. Ook...

  41. De ezels in de film
    (pp. 201-203)

    Ik weet niet ofDavid Copperfieldvan Dickens verfilmd is. Waarschijnlijk wel, en misschien zelfs meer dan eens. Ik hoef die film niet te zien, maar het zou me wel interesseren of de ezels van tante Betsey Trotwood erin voorkomen.

    Of eigenlijk zijn het niet haar ezels; het zijn vreemde ezels, en vervelende ezeldrijvers, die geregeld over haar grasperkje lopen, en waartegen tante Trotwood een verbeten strijd levert. Hele dagen zit ze voor het raam op de uitkijk. Als maar in de verte zo’n ezel nadert, staat ze in de aanslag. Begeeft een ezel zich wederrechtelijk op haar gras, dan...

  42. De taal verloederd nu eenmaal?
    (pp. 204-211)

    Wat is er toch aan de hand met de Nederlandse taal? We horen zorgelijke geluiden. Nu zijn het weer Rotterdamse studenten die niet behoorlijk kunnen schrijven. Voor een simpele instaptoets haalt de meerderheid geen voldoende, en negenenvijftig procent denkt dat jeonmiddellijkmet slechts één l schrijft. Vorig jaar waren het pabostudenten die jammerlijk presteerden. Of de basisschool, met een niveau voor taal en spelling dat veel te wensen overlaat. Zelfs minister Plasterk van Onderwijs is daar nu van overtuigd. Om nog maar te zwijgen van de ontlezing, de invloed van sms-taal, de vele Engelse woorden en de uitspraak op...

  43. Aantekeningen
    (pp. 212-212)
  44. Verantwoording
    (pp. 213-214)
  45. Register
    (pp. 215-218)