Ik, mezelf en wij

Ik, mezelf en wij: Over de constructie van onze identiteit

Greg Houwer
Copyright Date: 2011
Published by: Leuven University Press,
Pages: 230
https://www.jstor.org/stable/j.ctt9qdx3h
  • Cite this Item
  • Book Info
    Ik, mezelf en wij
    Book Description:

    De mens valt niet samen met zijn lichaam. Hij is een lichaam, maar ook iets dat zich ophoudt áchter dat lichaam. De hamvraag van dit boek luidt: wat is dit iets? Is het de ziel, zoals lang werd aangenomen? Greg Houwer laat op een heldere en vlotte manier zien hoe er zich op deze vraag maar steekhoudende antwoorden aandienen als men rekening houdt met het sociale karakter van het menselijke zelfbewustzijn: de mens staat niet tegenover een gemeenschap, maar wordt maar mens vanuit een gemeenschap. Door te tonen hoe het lichaam daarbij een centrale rol speelt, plaatst dit boek het mensdier opnieuw middenin het dierenrijk, om nadien te reconstrueren hoe de mens zich mentaal van dat dierenrijk heeft kunnen losscheuren. Ik, mezelf en wij schetst de mens als een sociaal wezen, het resultaat van een onbreekbaar verbond tussen natuur en cultuur, maar het toont de mens tegelijkertijd als een gespleten wezen. In Houwers boek wordt duidelijk hoe de spanning en gespletenheid tussen natuur en cultuur, het eigene en het vreemde, het individu en de gemeenschap typisch menselijk is en zich manifesteert in tal van maatschappelijke fenomenen zoals kunst, religie en Facebook.

    eISBN: 978-94-6166-079-4
    Subjects: Philosophy

Table of Contents

  1. Front Matter
    (pp. 1-5)
  2. Table of Contents
    (pp. 6-8)
  3. PROLOOG
    (pp. 9-20)

    De inleiding. Het eerste dat u leest. Het laatste dat ik schrijf. Ik leun achterover en blik terug op de geleverde arbeid, terwijl ik me afvraag: hoe nu de lezer te ontvangen? Hoe hem of haar dit boek in te loodsen? Welke verwachtingen schep ik? Gun ik hem of haar al een blik op het geheel? En vooral, welke houding neem ik daarbij aan? Gedraag ik mij als een springerige gastheer die meteen toeters en bellen bovenhaalt, de champagne laat aanrukken en een rode loper uitrolt? Of eerder als een bedeesde jongeman die wat verveeld zit met de rol van...

  4. HOOFDSTUK 1 Zielen knijpen Het (non-)probleem van persoonsidentiteit en het antwoord van de ziel
    (pp. 21-32)

    Ik kijk naar een boom en automatisch weet ik dat ík het ben die naar de boom aan het kijken ben. Demijnheidvan mijn waarneming kleeft als het ware aan de waarneming vast. Ze omkadert ze. Dit gaat op voor al mijn ervaringen: ik ervaar ze als demijne,zonder dat ik erover hoef na te denken. Sterker nog, ik kan me aan diemijnheidniet onttrekken. Mijn twijfel of ik nog wel dezelfde persoon ben, is nog altijdmijntwijfel.

    Mijnheidvormt de existentiële einder van mijn leven — een tamelijk pompeus, maar tevens verhelderend beeld. De horizon is...

  5. INTERLUDIUM Maarten de Krabbelaar en de queeste naar het ware zelf
    (pp. 33-38)

    Ook al was dit niet Lockes bedoeling, met zijn hoofdstukOf Identity and Diversityuit de tweede editie van zijn boekAn Essay Concerning Human Understanding(1694) begint de Britse intellectuele wereld zich langzaam af te wenden van een geloof in zielen en immateriële substanties. De Britse achttiende eeuw, die Locke maar enkele jaren heeft mogen meemaken, gold in dit opzicht ongetwijfeld als een scharniermoment. Schreeuwde men in het begin van de achttiende eeuw nog moord en brand telkens iemand het probleem van persoonsidentiteit benaderde zonder het persoonsconcept te laten wortelen in de immateriële ziel, in 1740 kon Hume reeds...

  6. HOOFDSTUK 2 Een gestrand spookschip De rabiate materialisten en persoonsidentiteit als illusie
    (pp. 39-52)

    Materialisten verwerpen het bestaan van de ziel. Maar sommigen gaan verder en trekken daar tevens de conclusie uit dat persoonsidentiteit een illusie is. Als we in onszelf schouwen, zo merkt de achttiende eeuwse filosoof David Hume op in zijnA Treatise of Human Nature,treffen we allerlei emoties aan, zoals woede, verdriet en plezier. Maar naast die emoties treffen we niet nog eens een aparte substantie aan die demijnheidvan die emoties grondt, een ziel. Hier volgt volgens Hume (en vele anderen) niet alleen uit dat de ziel niet bestaat, maar ook dat persoonsidentiteit een begoocheling is: ons innerlijke...

  7. INTERLUDIUM In de cinemazaal van ons zelfbewustzijn
    (pp. 53-76)

    Dichte mist. Een vlieghaven. Op de voorgrond Rick (Humphrey Bogart) en Ilsa (Ingrid Bergman), de handen in elkaar. Op de achtergrond een zilveren transportvliegtuig, klaar voor vertrek. Ilsa klampt zich vast aan Rick: waarom toch wil hij dat ze met haar man Victor meegaat? Rick heeft er al voor gezorgd dat hij kan vluchten, is dat niet voldoende? Waarom moet ze hem voor de tweede keer verlaten?

    Humphrey Bogart (Rick): ‘We both know you belong with Victor. You’re part of his work. If that plane leaves and you don’t, you’ll regret it. Maybe not today or tomorrow, but soon — and...

  8. HOOFDSTUK 3 Infans ritualis. Dans dans dans De unieke biologisch-symbolische rol van het menselijke lichaam
    (pp. 77-102)

    Het menselijke lichaam vervult een unieke rol in het dierenrijk, eenbiologisch-symbolische rol. Aan de basis hiervan ligt een strikt biologische rol, zoals we die ook aantreffen in de rest van het dierenrijk en bij pasgeborenen. Het is moeilijk voor ons om deze strikt biologische rol nog te herkennen, enerzijds omdat die rol bij ons verstrengeld is geraakt met de symbolische rol van ons lichaam, en anderzijds omdat het gaat om dingen die zich grotendeels onttrekken aan het oog van onze mentale radar — wat mee verklaart waarom men dit nochtans cruciale aspect zolang heeft verwaarloosd in het historische debat over...

  9. INTERLUDIUM (On)begrip
    (pp. 103-104)

    Plop! Je opent de fles en langzaam laat je je zakken in de draaikolk richting bodem. Slok na slok.

    De theatraliteit ervan! Dit signaal aan de rest van de wereld: kijk eens hoever het met mij gekomen is. Het gaat niet alleen om de drank, je drinkt tevens een symbool, je wórdt het symbool: wat je onder meer benevelt, is het besef dat anderen, als ze je in deze toestand zouden zien, je zouden kunnen begrijpen. Ja, het is alsof die anderen je nu zien. Hoe meer je drinkt, hoe presenter ze zijn. Je voelt hun handen op je schouders....

  10. HOOFDSTUK 4 Homo theatralis Zijnstekort en de ziel. De werkelijke en de utopische gemeenschap
    (pp. 105-150)

    Ons zelfbewustzijn lijkt op een theaterzaal, bühneinclusiefzaal. Het podium van onze lichamelijkheid roept automatisch een mentale tribune aan perspectieven en betekenissen op: wij zijn zowel dat podium als die zaal, wij zijn de onzichtbare vierde wand ertussen. De verschijning aan onszelf — het raadselachtige licht van ons zelfbewustzijn — komt neer op het geheimzinnige contact met de stoeltjes in het duister. Wandel eenzaam in een bos en begin luidkeels te zingen en meteen denk je om je heen talloze takken te kunnen horen kraken. De zitjes, ze zijn er altijd en tegelijk ook niet. Meestal blijven ze onzichtbaar, doch af...

  11. INTERLUDIUM Het geheim van Joe Gould
    (pp. 151-162)

    De New Yorkse Village van de jaren dertig van de vorige eeuw. Kosmopolitisch en knus tegelijk. Een zekere Joe dwaalt door de straten, schuilt in portieken, slaapt op parkbanken en schuimt de koffiehuizen af. Met zijn knobbelige kabouterneus, zijn groezelige baard en dito kostuum, zijn alerte ogen en hoge voorhoofd lijkt hij een door de tijd verdwaalde Socrates. Maar het zijn vooral zijn eigenzinnige gedrag en excentrieke praatjes die de Villagers ervan overtuigen met een genie te doen te hebben. Overal waar ze Joe tegenkomen, zien ze hem gedreven notities maken in beduimelde schriften. Het duurt dan ook niet lang...

  12. HOOFDSTUK 5 Holenmens Waanzin, fundamentalisme en kunst (liefde, overgave)
    (pp. 163-204)

    In den beginne, vóór het woord, was het witte blad. Vol leegte. Vol mogelijke woorden. Ideale woorden, in een onovertrefbare volgorde. Arme schrijver: hoe godslasterlijk het idee om de perfectie van dat lege wit na te willen maken, te beginnen met één onnozel woord? Woord voor woord vernietigend wat je eigenlijk alleen maar opnieuw wil laten ontstaan, maar nu zodanig dat ook anderen het kunnen bewonderen. Een vlucht meeuwen. Gekrijs, een bont patroon van schaduwstippen op de grond. Waar? Ach, ze zijn alweer verdwenen. En toch. Bestaat er nu geen kans dat niet enkel de schrijver het zag? Ver weg,...

  13. INTERLUDIUM Onder een open hemel
    (pp. 205-214)

    De mens is een dier. Maar niet zomaar een dier. “Een mens leeft niet van brood alleen.” De mens is een verlangend dier. Hij neemt geen genoegen met het aardsehierennu, maar heeft ook nood aan een hemel, aan eenniet-hierenniet-nuwaar hij, rechtopstaand, naar kan reiken.

    Deze tussenstatus van de mens bestaat uit twee bewegingen: een beweging naar boven en een beweging naar beneden. Normaal zijn deze twee bewegingen met elkaar verstrengeld — zie de twee vogels in de tekening⁷⁴ — waardoor ze elkaar min of meer in evenwicht houden. Maar soms krijgt een van beide bewegingen...

  14. EPILOOG
    (pp. 215-222)

    Zevenentwintigduizend jaar geleden legt een man zijn hand op een rotswand. De rots voelt koud aan. Maar daaronder lijkt zich nog een andere kilte los te maken. Alsof zich in de ogen van de man duizenden andere blikken leggen die heel nauwgezet mee beginnen te kijken naar wat plots een vreemd object lijkt — vijf bleke staafjes die naar elkaar toelopen. De grot zuigt een omineuze stilte aan. Vult zich met blikken uit de toekomst. Nog altijd verliest de man zijn hand in onze hedendaagse blikken. De hand steeds vreemder, steeds afweziger. Vijf staafjes. Een litteken. Wat stugge haartjes. Maar geleidelijk...

  15. NOTEN
    (pp. 223-227)
  16. Back Matter
    (pp. 228-228)