Uit de ketens van de vrijheid

Uit de ketens van de vrijheid: Het debat over de sociale politiek in België, 1886-1914

Jo Deferme
Copyright Date: 2007
Published by: Leuven University Press,
Pages: 512
https://www.jstor.org/stable/j.ctt9qf138
  • Cite this Item
  • Book Info
    Uit de ketens van de vrijheid
    Book Description:

    Op het einde van de negentiende eeuw barstte de sociale kwestie in alle hevigheid los. De katholieke regeringen moesten nu wel wetgevende maatregelen nemen. Hoewel de technische inhoud van de wetten genoegzaam bekend is, geldt dat veel minder voor de onderliggende ideeën en argumentaties in de sociaal-politieke debatten. Dit boek behandelt daarom de politieke en wetenschappelijke theorievorming over de sociale wetgeving in België rond 1900. Het wil illustreren dat sociaal beleid veel meer betekende dan een droog technisch antwoord op louter praktische uitdagingen. Ook sociaal-politieke filosofie en politieke cultuur speelden een rol bij het tot stand komen van sociale wetten. De politieke cultuur van de volle negentiende eeuw had, op sociaal-economisch vlak, gedweept met het principe van de 'vrijheid van arbeid'. Voor de arbeiders op de werkvloer echter - zo luidde althans de kritiek - betekende die vrijheid van arbeid vaak een vergiftigd geschenk, ... geen echte vrijheid, maar veeleer een geketende gevangenschap. Dat kwam door de veeleer atomistische aspiratie van de politiek. Rond 1900 veranderde dat. Voortaan zou het politieke debat worden uitgedaagd door wat de auteur noemt een 'holistische bekoring'. Het is die verschuiving in de politieke cultuur die het boek nauwgezet bestudeert. Het biedt een schets van een even boeiende als kronkelende weg, de grillige weg die werd afgelegd van een individualistische 'vrijheid van arbeid' naar 'georganiseerde en gesubsidieerde vrijheid'.

    eISBN: 978-94-6166-102-9
    Subjects: Political Science

Table of Contents

  1. Front Matter
    (pp. 1-4)
  2. Table of Contents
    (pp. 5-6)
  3. Inleiding
    (pp. 7-26)

    “Liberté en tout et pour tous”. Dat was het ordewoord van de katholieke en liberale politici die vorm gaven aan de Belgische structuren in de negentiende eeuw.¹ Althans, dat schreef de liberaal Emile de Laveleye in 1880 in een tekst over de Belgische grondwet. Enkele jaren na de stakingsgolf van maart 1886 stelde de liberale criminoloog Adolphe Prins nog dat “notre génération a un souci dominant: le respect de la liberté individuelle”.² Ook in politieke debatten over sociale verhoudingen keerde telkens opnieuw de bezorgdheid voor de individuele vrijheid terug. Op dat vlak was de eensgezindheid tussen liberale en katholieke politici...

  4. Hoofdstuk 1 Liberale politieke cultuur en vrijheid van arbeid vóór 1886
    (pp. 27-88)

    Het ontstaan van de sociale politiek op het einde van de negentiende eeuw tekende zich af tegen de achtergrond van een ‘liberale politieke cultuur’.¹ Die overheerste in de volle negentiende eeuw het sociaaleconomische denken van de leidende politieke klasse bij liberalen en katholieken. Centraal in die politieke cultuur stond het principe van de ‘liberté du travail’, of vrijheid van arbeid. Die hield in dat alle afspraken over werkomstandigheden en verloning door vrij overleg tussen de individuele werknemer en individuele werkgever dienden tot stand te komen, dus zonder dwang of inmenging van derden. Hoewel die visie geïnspireerd was door liberale waarden...

  5. Hoofdstuk 2 Schipperen met de vrijheid van arbeid 1886-1889
    (pp. 89-144)

    “Nous aurons à discuter de graves intérêts et à entrer, à certain points de vue, dansun ordre d’idées nouveau”.¹ Zo sprak de katholieke kabinetsleider Auguste Beernaert, ongeveer een half jaar na de stakingsgolf van maart 1886, als reactie op de sociale problematiek. Beernaert stelde dus expliciet dat de aanpak minstens ten dele op een nieuwe leest geschoeid moest worden, dat de oplossing voor de sociale kwestie grondig herdacht moest worden. De vraag rijst of dat betekende dat er een einde zou komen aan het monopolie van de vrijheid van arbeid. Ons land was niet het enige dat in het...

  6. Hoofdstuk 3 Nieuwe geluiden in de politieke ideologieën en de sociologie vanaf 1890
    (pp. 145-206)

    Hoewel maart 1886 het politieke leven had wakker geschud, lijkt het erop dat de eerste sociale wetten van de late jaren 1880 nauwelijks met radicaal nieuwe argumenten verdedigd werden. Over het algemeen bleef een atomistische politieke cultuur die de vrijheid van arbeid centraal stelde, het denken beheersen. Een antwoord op de sociale kwestie zocht die politieke cultuur in een of andere vorm van individuele empowerment. Het probleem was echter dat het met de afdwingbaarheid van maatregelen doorgaans niet zo goed gesteld was. Ondertussen ontwikkelden zich ook heel andere, veeleer holistisch geïnspireerde opvattingen. De eerste prille sporen daarvan werden merkbaar in...

  7. Hoofdstuk 4 Pragmatische institutionalisering van het sociaal beleid, 1892-1899
    (pp. 207-260)

    In het vorige hoofdstuk is beschreven hoe het sociale denken van verschillende politieke strekkingen vanaf 1890 een holistische wending kende. Zoals in dit hoofdstuk zal blijken, kwam die nieuwe inspiratie ook in de parlementaire debatten van de jaren 1890 tot uiting. Terwijl de ‘holistische bekoring’ zich op het einde van de jaren 1880 alleen manifesteerde in de vorm van een voorzichtig ‘verschildenken’, toonden de sporen zich nu op verschillende manieren. De holistische inspiratie kan als volgt conceptueel ontleed worden: tegenover een abstract universalisme werd een verschildenken geponeerd dat aandacht schonk aan de concrete sociale positie van het individu. Tegenover individualisme...

  8. Hoofdstuk 5 Doorbraak van de arbeidswetgeving rond 1900
    (pp. 261-322)

    In de late jaren 1890 betraden nieuwe, meer ‘sociaal-progressieve’ groepen het parlement. Zij verdedigden hun sociaal-politieke eisen vaak aan de hand van een holistisch geïnspireerd waardepatroon. In de periode net na 1900 zou die tendens zich nog sterker doorzetten. De Nederlandse historicus Piet de Rooy beschreef de cultuur van het fin de siècle als een “licht overspannen kritiek op de burgerlijke cultuur”, of “een veranderingsproces waarin de vanzelfsprekendheid van de liberaalburgerlijke levensstijl verloren ging”, een proces dat een hoogtepunt bereikte in het symbolisch zwaar beladen jaar 1900.¹ Ook op sociaal-politiek vlak kwam die paradigmawisseling in een stroomversnelling terecht. De sociaal-theoretische...

  9. Hoofdstuk 6 Sociale verzekeringen en de gesubsidieerde vrijheid
    (pp. 323-382)

    Op het einde van zijn boek over beroepsrisico en welvaartsstaat noemt François Ewald de Franse wet op de arbeidsongevallen de eerste aanzet tot het arbeidsrecht én de eerste wet van sociale bijstand. In zijn visie lag de notie beroepsrisico aan de basis van beide vormen van sociaal recht en konden de twee niet los van elkaar bekeken worden.¹ Als dat klopt, zou dat kunnen betekenen dat in debatten over sociale verzekeringen gelijksoortige argumenten gehanteerd werden. Met andere woorden, dat men ook daar met een ‘holistische bekoring’ geconfronteerd werd. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat enige nuancering hier...

  10. Hoofdstuk 7 Naar een uitbreiding van de verplichting 1908-1914
    (pp. 383-444)

    Met de wetgeving over de arbeidsongevallen (1903) en de zondagsrust (1905) was de eerste aanzet tot verplichte wetgeving gegeven.¹ Rond 1910 kreeg België de eerste wetten die een ondubbelzinnige vorm van verplichting oplegden, zij het dan uitsluitend voor de specifieke groep van de mijnwerkers. In 1909 werd de maximumduur van een werkdag in de mijnen vastgelegd op negen uur en in 1911 kwam er een verplicht pensioenstelsel voor mijnwerkers. Robert Castel heeft de overgang van vrije naar verplichte verzekering betiteld als een ‘verandering van paradigma’² en François Ewald zag in het invoeren van de verplichte verzekering de overgang van de...

  11. Besluit
    (pp. 445-456)

    In de jaren 1880 beschreven de liberalen Emile de Laveleye en Adolphe Prins nog hoe hun generatie één dominerende bekommernis had gekend, namelijk het respect voor de individuele vrijheid. Heel wat jaren later merkte de eveneens liberale industrieel Ernest Solvay op dat de individuele vrijheid heel wat aan inspirerende kracht had ingeboet. Op het vlak van de sociale politiek lijkt dat voor de individualistische notie van de vrijheid van arbeid alleszins het geval te zijn geweest. Die vrijheid van arbeid werd immers wel geproclameerd voor werkgever en werknemer, maar kon door de arbeider op geen enkele manier afgedwongen worden en...

  12. Bibliografie
    (pp. 457-504)
  13. Index
    (pp. 505-511)
  14. Colofon
    (pp. 512-512)